Inkoop van Zorg

WMO zorg wordt ingekocht door de gemeente, daarbij wordt intensief samengewerkt met de gemeenten Soest en Bunschoten in BBS verband. De gemeente Amersfoort heeft bij sommige inkoop trajecten een regie rol. Hieronder onze opvattingen over WMO inkoop.

Acht adviezen t.a.v. de inkoop van begeleiding en ondersteuning

  1. Altijd keuze

Wanneer iemand is aangewezen op begeleiding door anderen in het dagelijks leven, heeft deze begeleiding invloed op de kwaliteit van zijn of haar leven. Dit geldt zowel voor begeleiding thuis als voor begeleiding op een andere locatie, bv. dagbesteding. Het is belangrijk dat begeleiding zo goed mogelijk aansluit op de behoeften van de burger. De mogelijkheid voor burgers om te kiezen tussen verschillende aanbieders bij elke vorm van begeleiding in het kader van de WMO zou daarom het uitgangspunt moeten zijn bij de inkoop van begeleiding.

De meest verregaande vorm is dat elke aanbieder die aan de gestelde voorwaarden voldoet, inclusief de financiële criteria, ook daadwerkelijke begeleiding mag bieden aan Baarnse burgers. De WMO-raad adviseert om dit model te hanteren.

  1. Ruimte voor kleinschalige aanbieders

Een veel gehoord geluid is dat geconcentreerde inkoop van begeleiding tot lagere kosten leidt. Ervaringen uit de AWBZ wijzen uit dat grotere aanbieders vaak niet de goedkoopste zijn. Wat wel vast staat: geconcentreerde inkoop leidt tot een minder divers aanbod! De WMO-raad pleit er voor om ook kleine organisaties of (samenwerkende) ZZP’ers een kans te geven om in het kader van de WMO begeleiding te bieden in Baarn. Dit vergroot de keuzevrijheid voor burgers en kan leiden tot meer persoonlijke en op maat gesneden begeleiding.

  1. Dichtbij waar het kan, verder weg indien nodig

Wanneer begeleiding wordt ingekocht voor grotere groepen mensen met vergelijkbare behoeften is het meestal mogelijk deze binnen de gemeente Baarn plaats te laten vinden. Maar begeleiding binnen de gemeentegrenzen hoeft geen doel op zich te zijn. Zeker wanneer de benodigde begeleiding specialistisch is vanwege de aard van de beperking of specifiek vanwege de voorkeur van de burger (b.v. voor een bepaald type dagbesteding) moet de locatie niet op voorhand een belemmering zijn.

  1. Bijsturen in plaats van dichtregelen

De gemeente heeft de verantwoordelijkheid om een kwalitatief goed aanbod van begeleiding voor haar burgers beschikbaar te stellen. Dat gaat bijvoorbeeld om begeleiding die aansluit bij de stand van de wetenschap en/of de professionele praktijk, om veiligheid in de breedste zin van het woord, om een goede bejegening en om maximale afstemming op de behoeften van burgers. Daarbij kan de gemeente bij de inkoop een uitgebreid toetsingskader hanteren, om de kwaliteit vooraf zo goed mogelijk te kunnen beoordelen. Deze aanpak leidt echter tot een complexe inkoopprocedure met een hoge instapdrempel voor vooral de kleinere aanbieders. Ook hier leren we van ervaringen uit de AWBZ, en van ervaringen met kwaliteitszorg in het algemeen, dat uitgebreide inkoopspecificaties geen garantie bieden voor goede begeleiding en tevreden burgers. Het heeft daarom onze voorkeur om praktische instapvoorwaarden te hanteren en vooral te zoeken naar een manier om de ervaren kwaliteit door burgers als uitgangspunt te nemen. Door een vorm van intercollegiale toetsing te organiseren kan er daarnaast aandacht zijn voor de professionele kwaliteit van zorgaanbieders. Wij adviseren om contracten dusdanig op te stellen dat bij van aanwijzingen van onvoldoende kwaliteit snel opgetreden kan worden, met beëindiging van het contract als uiterste sanctie.
 

  1. Flexibiliteit

Inkoop van begeleiding leidt al snel tot een vaste cyclus, veelal jaarlijks, waarbinnen contracten worden aangegaan, afspraken worden gemaakt, nieuwe aanbieders worden toegelaten of van bestaande aanbieders afscheid wordt genomen. Het is echter mogelijk om hier een continu proces van te maken. Waarom zou een nieuwe aanbieder, die misschien wel op verzoek van burgers met een aanbod komt, moeten wachten tot een volgend jaar?

Gedurende een jaar kan de behoefte aan begeleiding wijzigen, in aard en in hoeveelheid. Wij vinden dat geen afspraken met aanbieders worden gemaakt die de flexibiliteit van burgers onnodig inperken. Wij adviseren de financiering van aanbieders bij voorkeur te laten volgen op de keuzes van burgers (=cliëntvolgende financiering) en geen contracten af te sluiten voor vaste hoeveelheden zorg waarbij niet vooraf duidelijk is welke burgers deze zorg gaan afnemen.

Openstaan voor nieuwe vormen van aanbod, en experimenten om tot een nieuw aanbod te komen, is ook een uiting van flexibiliteit en kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van burgers en het verlagen van de kosten.

  1. Tijdelijke en crisisondersteuning

Burgers kunnen een voorspelbare en stabiele behoefte aan begeleiding hebben, maar deze kan wijzigen in de loop van de tijd. Die verandering is soms te voorzien, b.v. door ouderdom of een vast ziekteverloop, maar kan ook plotsklaps gebeuren. Dat kan komen door veranderingen in de fysieke of psychische gesteldheid van burgers, maar ook door veranderingen in het sociale netwerk, bijvoorbeeld het (tijdelijk) wegvallen van mantelzorgers. De WMO-raad bepleit dat de gemeente probeert om hierop te anticiperen door een aanbod te creëren van ondersteuners die zeer snel kunnen inspelen op degelijke situaties. Dit vraagt ook van de gemeente om samen met aanbieders een proces te organiseren waarbinnen gemakkelijk een beroep op tijdelijke of crisisondersteuning kan worden gedaan. Dergelijke situaties kunnen zich 24 uur per dag en 7 dagen per week voordoen, dus bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn van groot belang.

Naast spoedeisende ondersteuning is ook wel-voorzienbare maar tijdelijke ondersteuning van belang, bijvoorbeeld in periodes waarin mantelzorgers niet beschikbaar zijn.

  1. Verschillende rollen voor verschillende delen van het totale aanbod

In de voorbereiding op de invoering van de tweede fase van de WMO is door diverse partijen nagedacht over de rollen die de gemeente kan kiezen bij het creëren van een ondersteuningsaanbod voor burgers[1]. Wij adviseren de gemeente een verschillende rol te hanteren t.a.v. verschillende delen van het totale aanbod:

‘0-de lijn’     De gemeente treedt als partner faciliterend op naar initiatieven van burgers, dus burgers organiseren zelf zorg, afgestemd op eigen wensen voor de 0-de lijn zorg (bv. ondersteuning mantelzorg)

‘1e lijn’         De gemeente stuurt als manager b.v. het loket en het lokaal team aan voor activiteiten die bepalend zijn voor de werking van het totale systeem.

‘2e lijn’         De gemeente is marktmeester voor de 2e-lijnszorg, dus creëert een markt waarop aanbieders worden toegelaten en burgers zelf een aanbieder kunnen kiezen (naast het PGB waarmee een burger de begeleiding helemaal zelf kan vormgeven).
 

  1. Betrek burgers bij het evalueren en verbeteren van het ingekochte begeleidingsaanbod

De WMO-raad is graag betrokken bij de evaluatie en de verbetering van het begeleidingsaanbod. Maar nog belangrijker is dat de gemeente direct de burgers betrekt die zelf de begeleiding ontvangen. Wij adviseren om deze burgers jaarlijks te raadplegen over hun ervaringen en wensen t.a.v. begeleiding, voorafgaand aan het maken van afspraken met aanbieders, of aan het bijstellen van inkoopcriteria. Uitgebreide vragenlijsten zijn niet nodig: dit kan met enkele simpele vragen. Betrek hier ook de burgers bij die zelf hun begeleiding organiseren door middel van een PGB, omdat juist in de door hen zelf samengestelde begeleiding goede ideeën kunnen schuilen voor de verbetering van het in-natura-aanbod voor alle andere burgers. 

[1] Zie b.v. de notitie ‘Van rol naar bekostiging in 3D’ van de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg.